De “Ancien Régime” meteorologische waarnemingen: van de beschrijving tot het meten van de weerverschijnselen

Lang voor er in België sprake was van het Koninklijk Meteorologisch Instituut werden er in onze streken reeds meteorologische waarnemingen gedaan. Ze werden uitgevoerd in functie van de landbouw of van de geneeskunde, om bijvoorbeeld een verband te zoeken tussen het weer en het klimaat en ziekten. Spijtig genoeg werden er maar bar weinig van deze waarnemingen bewaard. In publicaties wordt er namelijk alleen melding gemaakt van maandelijkse of jaarlijkse extremen, en hier en daar van een temperatuurwaarneming in uitzonderlijke winteromstandigheden.

Volgende kroniek streeft daarom geen volledigheid na, maar is een beperkt overzicht van wat er zich in België voordeed op gebied van meteorologie, meteorologische waarnemingen en enkele opmerkelijke klimaatgebeurtenissen. De geschiedenis van het "Ancien Régime" is een bloemlezing van "merckenweerdigste voorvallen" waarbij we in de oude vermeldingen van klimaatgebeurtenissen zo veel mogelijk het Nederlands of het Frans uit die tijd behouden hebben.

 

 

1530

Op 5 november 1530 worden er talrijke bressen in de dijken geslagen en wordt Vlaanderen door een grote overstroming getroffen.

 
"Op den 5 november, ontstond er een vreeslyk onweder omtrent 9 uure voor de middag, duurende tot 5 uuren na noen, waarop ontelbaare rampen volgden. De dyk by Dixmuiden in Vlaanderen brak door, waardoor dat geheele gewest byna onder water raakte. Tusschen Antwerpen en Bergen-op-Zoom, wierden veele dorpen overstroomdt, en verdronken veele menschen en beesten, en zoo t’eene halve spanne hooger hadde geweest, zoude half Vlaanderen zyn verdronken."
 
"Vijf November nooyt dier ghelijcke Ghinck dwater over alle dijcke."

1564-1565

Den winter van 1564-1565 was soo fel en koudt als oyt mensch hadde gevoelt, het vroos tien weken langh soo dat men ‘tAntwerpen van den tweeden kersdag to op Dry Koninghen dach van ’t jaer 1565 over de Schelde te voet en te peerd rysde, ende uyt nieuwicheyt stelde men daer tenten ende kramen op, alwaer spyse, dranck ende alderhande koopmanschap verkochte.

Uit de "Incarnatie van die felle vorst de anno xve Lxiiii":

 
Men sach cleenen Gille gaen over het bierhooft,
C louckelyk om ghelt winnen den tweeden Crisdach
C orts den derden ghingender op cleen en groot
C ooplieden droncken opt schelde groot ghelach
C reemers men daer huerlieder goet oock vercoopen zach,
C oucxkens worstkins bastart ende romenien
L iefvelicken men daer at en dranck zonder ghelach
V an smorghens vrouch tot savons sach men daer lyen
V enus Camenierkens die den sin verblyen
J onckers ende Jonckvrauwen sach men up schelde gaen
I nt aensien dochtet my al vol melodyen
J a wel dacht Ic zal deze merct blyven staen
J anuario den achtsten was tgaen gehedaen.

In dit jaarschrift of chronogram staat de beginletter van iedere versregel voor een Romeins cijfer en als men de optelling van de getalwaarden maakt, vindt men het jaartal van de gebeurtenis (M+5xC+L+2xV+J+I+2xJ = 1000+5x100+50+2x5+1+1+2x1 = 1564).

 

Winterlandschap met schaatsers en vogelknip - Pieter Breugel de Oude (1565).

1572 - 1577

Cornelius Gemma (1535-1578) is arts, astronoom, astroloog en hoogleraar in de geneeskunde te Leuven. Op 9 november 1572 neemt hij een nieuwe heldere ster waar in het sterrenbeeld Cassiopeia. Hij noemt ze "Nieuwe Venus". Ook een Deense astronoom met de naam Tycho Brahe (1546-1601) neemt twee dagen later, op het Zweedse eiland Hven in de Sont, de nieuwe ster waar. Later zal deze nieuwe ster de supernova SN 1572 genoemd worden.

Gemma herkent, samen met dezelfde Deense astronoom, ook de Grote Komeet van 1577 en beschrijft deze als "bovenmaan"’, wat "verder dan de maan" wil zeggen.

 

 

Cornelius Gemma Lovaniensis, Medicus et Philosophus

1604 - 1618

In oktober 1604 ontdekt Johannes Kepler (1571-1630), in de Melkweg, de supernova SN 1604. Erycius Puteanus [Eric de Put] (1574 – 1646), humanist en hoogleraar te Leuven, schrijft in 1619 het boek “De Cometa anni 1618 novo Mundi Spectaculo” over de grote komeet van het jaar 1618.

De ontdekkingen van de supernova SN 1572 en SN 1604 en van de kometen van 1577 en 1618 zijn belangrijk omdat ze de heersende theorie van de Griekse filosoof Aristoteles uit de “Meteorologica” in vraag stellen. Deze stelling beweert dat de wereld verder dan de maan en de planeten onveranderbaar is.

 

 

Eerryk De Putte alias Erycius Puteanus, door Anthony van Dyck, circa 1675

1606

 

Op de Tweede Paasdag van het jaar 1606 waait er een hevige windstorm over onze gewesten.
Naar aanleiding hiervan wordt het chronogram “oMnIa CaDUnt” , dit is het Latijn voor “alles valt”, gemaakt. Wanneer je de getalwaarden van de letters die Romeinse cijfers voorstellen, samentelt, geeft dit samen 1606.

 

 
"Is op (Tweede) Paaschdag door het geheele Land schrikkelyke stormwinden geweest, die veele schaden aen Kerken, Huizen en Boomen gedaen heeft."

1616

 

De jezuïet Charles Malapert (1581- 1630) publiceert zijn gedichtenbundel “Poemata” in twee delen bij de drukker Plantijn-Moretus te Antwerpen.
Waar hij het in het eerste gedeelte heeft over de hevige windstorm van Tweede Paasdag 1606, bevat het tweede gedeelte twee gedichten “De Ventis” over de winden.

 

 

1627

Libert Froidmont (Fromondus) (1587-1653) publiceert zijn werk “Meteorologicorum Libri Sex” in 1627 bij de drukkerij Plantijn-Moretus te Antwerpen.

 

Libert Froidmont en het titelblad van zijn werk “Meteorologicorum Libri Sex”, uitgave gedrukt bij Plantijn-Moretus te Antwerpen in 1646

1647

De Vlaamse astronoom, Govaert Wendelen (1580-1667), die ook Godefroid Wendelin of Vendelinus genoemd wordt, neemt in 1646 een purperen regen waar te Brussel.
In 1608 heeft hij al eens een dergelijk verschijnsel gezien in het Franse Forcalquier in de lage Alpen. Hij publiceert deze waarnemingen in het werkje met als titel: “Pluvia purpurea Bruxellensis, Parisiis, Ludovicus de Heuqueville, M.DC.XLVII”.

 

Godefroid Wendelin en het titelblad van zijn publicatie “Pluvia purpurea Bruxellensis” gedrukt te Parijs in 1647

Omstreeks 1648

De natuurfilisoof Johannes Baptista Van Helmont (1579-1644) draagt bij tot het wetenschappelijk begrip “experimentele methodologie”, wat proefondervindelijk onderzoek inhoudt. Hij is de eerste die het woord “gas” – meer bepaald “gasmaeckinge” – gebruikt. Het woord is een afleiding van het Griekse woord "chaos". Hij voert ook experimenten uit met een "thermoscoop"; dit is een voorloper van de thermometer. In 1648 wordt zijn werk "Ortus medicinae" postuum gepubliceerd in Amsterdam.

 

Johannes Baptista Van Helmont

1670

De Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest (1623-1688) bouwt een thermoscoop in Beijing en hij schenkt deze voorloper van de thermometer aan keizer K’ang-si.
Verbiest’s werk “Astronomia Europea” wordt in 1687 in het Duitse Dillingen uitgegeven. In het hoofdstuk over meteorologie worden Verbiest’s tekeningen van de door hem gebouwde hygroscoop en thermoscoop gepubliceerd.

 

 

De hygroscoop (links) en thermoscoop (rechts) gebouwd en getekend door Ferdinand Verbiest

In 1670 vriest de Schelde dicht in de buurt van Antwerpen, waardoor men van nieuwjaar tot 15 maart 1670 over de Schelde kan lopen. Er worden zelfs kraampjes met allerlei volksspelen op de dichtgevroren Schelde opgesteld.

 
A° 1670 vroós den gezegden op-en-af-vloeyenden Stroom toe op vier dagen; waer men dit Jaerschrift: ’t sCheLD beVrIest In Den tYt Van VIer Dagen.

Het chronogram wijst op het jaartal 1670.

 

IJsvermaak op de, van 2 tot 17 januari 1670, bevroren Schelde bij Antwerpen. Met tenten op het ijs, schaatsers, sleden, koorddansers... Bovenaan in de "cartouche" ziet u een jaardicht voor het jaar 1670: "Iaer-schrift. De sCheLDe toegekorst op VIer IanVaer heeft ontDoeIIt op seVenthIen" Met een onderschrift in 3 kolommen. Gaspar Bouttats - Rijksmuseum Amsterdam

1675-1715

De periode 1675-1715 valt in het koudste gedeelte van de Kleine IJstijd  - "Little Ice Age" (LIA). Bovendien valt ze ook in het Maunderminimum (1645-1715) van de zonneactiviteit. De combinatie van deze twee gebeurtenissen wordt gekenmerkt door temperaturen die behoorlijk lager liggen dan de gemiddelde globale temperaturen.

De winter van 1684 is bar koud in België. Ook de maanden januari 1698 en januari 1709 zijn bijzonder guur.

 
  • wikimedia
  • frost fair
  • frost fair Thames
1 2 3

IJspret op de rivier Thames in Londen tijdens de winter van 1683

 

1703

Op 7 en 8 december 1703 trekt er een hevige windstorm vanuit het zuiden van Engeland en het noorden van Frankrijk over het Kanaal, Vlaanderen, Nederland, Noord-Duitsland, Denemarken en de Baltische Zee. De "London Gazette" doet een oproep naar getuigenissen bij de bevolking en de Engelse schrijver Daniel Defoe (1660-1731) bundelt deze verhalen in een beschrijving van de storm. Kapelaan Guillaume Van der Meulen (1737-1809) uit Roesbrugge aan de IJzer noteert in zijn handschrift dat in Ieper de afgerukte en gebroken dakpannen de straten plaveien.

Wilt u meer weten over de grote storm van december 1703, dan vindt u uitgebreide informatie in volgende documentatie:

De "Grote Storm van december 1703" in de Lage Landen - een stormachtige periode in de Spaanse Successieoorlog

De vergeten windstorm van december 1703 in continentaal Europa

 

 

 

De grote storm van december 1703

De Luikenaar Laurent Gobart (1658-1750) publiceert zijn "Tractatus philosophicus de barométro" in 1703 te Amsterdam.

 

Het titelblad van de “Tractatus philosophicus de barométro” de Laurent Gobart (1658-1750)

1709

Voor zover we weten, wordt de eerste meteorologische waarneming met een instrument in België genoteerd tijdens de zeer koude winter van 1708-1709:

 
"De koude startte gevoeld te worden de dag voor Driekoningen ... De Maas vroor dicht tot een diepte van 5 (Parijse) voet (of 1,62 m). De Réaumur-thermometer toonde 15 en een kwart graad (dit is -19°C)."

Het is niet helemaal duidelijk of dit wel een echte waarneming was of eerder een schatting die later gedaan werd ter vergelijking met andere koude winters uit de 18de eeuw.

 
"Den vyfden Januarii des nachts heeft het soo gruwelyck beginnen te vriesen dat, op dry dagen tyts, de Schelde is toegevrosen, welcke vorst soo furieuselyck ende met soo groote koude continueert..."
"In 1709 was de koude onverdraegelyk, en men maekte dit Jaer-schrift: FrIgUs oCCIDIt hoMInes"

Deze laatste zin is het Latijn voor "de koude doodt de mensen".

 

1710

De eerste metingen van de magnetische declinatie in onze regio, die we met zekerheid kennen, dateren van juni 1710. Ze worden door pater Godefridus (Jan Balthazar) Bouvaert (1685-1770) in de tuin van de Sint-Bernardusabdij aan de Schelde te Hemiksem uitgevoerd.

 

 

Godefridus Bouvaert (1685-1770), bibliothecaris in de abdij van Hemiksem

1721-1722

Tijdens zijn reis met het schip de "Sint Pieter" van de Oostendse Compagnie onderweg naar de kust van Coromandel, Goa en Soerat in Indië, meet de Gentse scheepsalmoezenier Michael De Febure geregeld de temperatuur op zee. Deze unieke metingen worden spijtig genoeg niet met een gedefinieerde schaal uitgevoerd.

 

1724

In maart 1724 regent het zo hevig dat de Zenne in Brussel overstroomt.

 
"Door de menigvuldige Regen is de Rivier welke hier door loopt zoodanig gezwollen, dat die gisteren overgelopen, en in de laagte van deze Stad, de Straaten wel 3 voeten hoog onder Water heeft gezet."

1735

Tijdens de nacht van 19 januari 1735 trekt een zware storm over de Kasselrij Rijsel, het zuiden van Engeland en over onze regio. De hoge, scherpe torenspits van de Sint-Michielskerk te Roeselare wordt afgerukt:

 

 
"…vanden thooren vande kercke waer van de schoone en hooghe naille is afgeworpen op den 19den january 1735 corts naer twee uren door eenen grauwsaemen orcaen ende daer door oock het noortoostersche torreken met een deel vande gallerije ende eene groote bresse inden thooren ten noordoosten."

1736-1783

De Luikse arts Jean Motte (1719-1791) – men noemde hem ook Fallize of Falisse - staat bekend als de allereerste persoon in België die meteorologische waarnemingen doet. Van alle meteorologische waarnemingen die hij van 1736 tot 1783 uitvoert, zijn er spijtig genoeg slechts enkele extreme waarden voor de temperatuur en de atmosferische druk bewaard gebleven.

 

1739-1740

De winter van 1739-1740 is één van de koudste winters van de 18de eeuw. Eind oktober 1739 begint het te vriezen. De vorst houdt heel november 1739 aan, om na een iets warmere maand december opnieuw hard toe te slaan in januari 1740.

 
"In het beginsel van het jaer 1740, daegs voor dry Koningen-dag is alhier te lande eene seer felle koude opgestaen, de welcke duerde tot in de maendt van April daer naer, soodaenigh dat de Vruchten der aerde ten meerderendeele bevrosen waeren: men versekert selfs dat dese koude grooter is geweest als de gene van het jaer 1709."
"Er heerste grote nood en nijpende armoede. De levensmiddelen stegen tot zeer hoge prijzen."
"Den 2 mey 1740 was ’t soodanig gesneuwt dat g’heel de aerde was bedekt."

1744-1759

De Assenaar Joseph Adam Braun (ca. 1712-1768) verhuist naar het Russische Sint-Petersburg. In 1744 start hij er met een reeks meteorologische waarnemingen en in 1759 doet hij proefnemingen met de stolling van kwik bij lage temperaturen.

 

1755

Op allerheiligendag 1755, even voor 10 uur ’s ochtends, begint de aarde in Portugal te beven en vindt de "Grote Aardbeving van Lissabon (GAL)" plaats. Eigenlijk was het een zeebeving. De vernietigende aardbeving werd gevolgd door een grote brand in Lissabon en door een tsunami, die ook in Nieuwpoort waargenomen wordt. De aardbeving wordt lichtjes gevoeld in de Marlagne (westelijke Condroz) en in de streek rond Spa. In Nederland en op vele andere plaatsen in Europa worden er “waterschuddingen”, de zogezegde “seismische seiches”, gevoeld.

 

De Grote Aardbeving van Lissabon (GAL) op 1 november 1755. Op deze illustratie ziet men de verwoeste en brandende stad, met op de achtergrond de tsunami die zich op de kade van de rivier Taag slaat.

1762-1763

In december 1762 en januari 1763 heerst er in onze streken een aanhoudende en bijzonder strenge koude. Op 2 januari 1763 vriest de Schelde in Antwerpen dicht tot Hoboken en Kruibeke. Vanaf de 5de kan men er te voet, en zelfs met paard en kar, over de Schelde trekken.

 
"... de vorst nam van dag tot dag toe, op een wyze, dat het vogt in de Thermometers binnen de Huizen slegts 8 en buiten de Huizen nauwlyks 4 grad hoger stond dan in den Jare 1740."

In "De Gazette van Ghendt" vergelijkt men de temperatuurwaarnemingen van een "weerglas" of thermometer van december 1762 met één van 1740.

 
"Antwerpen den 23 Januari 1763. Alhoewel dat gedurende dezen bij de vijf weken aenhoudende grooten vorst tot hier toe zonder sneeuw en doorgaens met zonneschijn, op zeker wel wijzende weerglas, of Thermometre, nagespeurt is geweest, dat de koude in de leste dagen van December gestiet zij op den 47. Graed, daer de zelve op den gemelden Thermometre ten Jaere 1740 gestiet is geweest op den 39. Graed."

Beide uittreksels wijzen op vroege temperatuurwaarnemingen, zowel in Gent als in Antwerpen. Spijtig genoeg weet men verder helemaal niets over deze waarnemingen.

 

 

1763

Het is echter Jean-Baptiste Chevalier (1722-1801), een Portugese astronoom, die meestal beschouwd wordt als de eerste persoon die in België meteorologische waarnemingen verrichtte. Hij kon zich in het paleis van de Hertog van Arenberg (het huidige Egmont Paleis) vestigen. Waarschijnlijk deed hij zijn meteorologische waarnemingen in de tuin van het paleis. De jaarlijkse extremen van deze metingen worden gepubliceerd in het Deel I van de “Mémoires” van de Brusselse Académie.

 

De weerkundige waarnemingen van Abbé Chevalier in 1763 te Brussel werden gepubliceerd in de "Mémoires" van de Brusselse Academie.

1766

De landbouw-meteoroloog of agrometeoroloog en boomkenner (dendroloog) Eugène d’Olmen, baron de Poederlé (1742-1813), begint in 1766 met weerkundige waarnemingen in Brussel en in Saintes. Hij publiceert deze waarnemingen regelmatig in verschillende tijdschriften en kranten.

De Koninklijke Bibliotheek "Albertina" is in het bezit van een handschrift dat aan Baron de Poederlé toegeschreven wordt. Het bevat de dagelijkse meteorologische waarnemingen van januari 1785 tot en met december 1787.

 

 

Het titelblad van het baanbrekende werk van baron de Poederlé over de Belgische bomen en heesters.

1767

Een arts uit Verviers, Guillaume-Lambert Godart (1717-1794), begint op 1 januari 1767 met een reeks van dagelijkse meteorologische waarnemingen. Deze lange reeks eindigt slechts kort voor zijn dood in februari 1794. Hij neemt ’s morgens de temperatuur, de luchtdruk, de windrichting en het weertype waar. Dit is de enige gekende langdurige waarnemingsreeks van dagelijkse klimatologische gegevens, vóór Quetelets waarnemingsreeks in de 19de eeuw. De reeks wordt gebruikt bij het samenstellen van de "Central Belgian Temperatuur (CBT)" tijdreeks.

 

 
De meteorologische waarnemingen van de maand januari 1775, die te Verviers genoteerd werden door Guillaume-Lambert Godart.  Van boven naar beneden: januari 1775, dagen, barometer, thermometer, windrichting en het weertype van ’s ochtends en na de middag.

Hierboven: de meteorologische waarnemingen van de maand januari 1775, genoteerd door Guillaume-Lambert Godart in Verviers.
Van boven naar beneden: januari 1775, dagen, barometer, thermometer, windrichting en het weertype van ’s ochtends en na de middag.

 

1768

De eerste dagen van de maand januari 1768 heerst een grote koude over de Lage Landen. In Namen duidt de thermometer -13.5 °R (Réaumur) of -16.9 °C (Celsius) aan.

 

1771-1772

De winter van 1771-1772 is bar koud en in januari 1772 valt er heel wat sneeuw. Zoals de traditie het wil, zorgt zo’n pak sneeuw voor heel wat plezier en worden er sneeuwpoppen gemaakt en vlugschriften geschreven. De studenten van de “Académie royale de dessein” van Antwerpen nemen met enthousiasme deel aan een wedstrijd en overal verschijnen er sneeuwpoppen in het straatbeeld.

Graaf Eugène Jean Baptiste de Robiano (1745-1821) is één van de organisatoren van de wedstrijd. In 1773 geeft hij een boek uit met tekeningen van de sneeuwpoppen die gemaakt werden door verschillende artisten en leerlingen van de Academie. De Antwerpse dichter Johannes Antonius Franciscus Pauwels (1747-1823) schrijft “BerIgt, Van ConstIg-geMaeCkte sneeUWe beeLDen” (merk het jaardicht 1772 op in de titel).

 

"Scaldis" of "de Schelde", een van de sneeuwpoppen van Antwerpen, die gemaakt werden tijdens de winter 1771-1772. Bron: Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen, catalogusnummer K 7622

1772

Keizerin Maria Theresia verleent op 16 december 1772 de “Lettres patentes” – dit wil zeggen dat ze met een vrijbrief de toestemming geeft - voor het oprichten van de “Académie impériale et royale de Sciences et Belles-Lettres de Bruxelles”. Het is de bedoeling dat deze de “Société Littéraire de Bruxelles” vervangt door een stabielere en meer wettelijke vorm om op die manier meer interesse op te wekken voor de studie van de wetenschap en de literatuur.

De Theresiaanse Academie publiceert vijf delen van haar “Mémoires”, waarin men uittreksels van meteorologische waarnemingen met instrumenten uit onze streken vindt.

 

"Frontispice of frontispies" - dit is een boekillustratie, die zich op de tweede, tegenover de titelpagina liggende bladzijde bevindt, pagina 3 dus -, van de “Mémoires” van de Theresiaanse Academie van Brussel.

Edward Pigot (1753-1825), een Engelse sterrenkundige, en Théodore-Augustin Mann (1735-1809) voeren in Oostende en Nieuwpoort waarnemingen uit van de magnetische declinatie.

 

Théodore-Augustin Mann, prior van het Engelse Kartuizerklooster in Nieuwpoort

1773

Een overstroming teistert de stad Antwerpen:

 
“Na middernagt van 15 tot 16 november [1773] was het alhier seer grooten watervloed, soo dat de nederstad wird overstroomt tot na de opperstad toe, door de opbortelingen der onderaerdsche waterleydingen, tot soo verre, dat het water, indringende langs de voren en sijde deuren der cathedrale kerke, den middelbeuk tot voor het oxaal van de choor, eenige palmen diep onderwater stond, waerdoor verscheyde serken opgeligt, den vloer hier en daer weggespoelt en ingezonken zijn.”

1775

De uittreksels van de weerkundige waarnemingen van Théodore-Augustin Mann, prior van het Engelse kartuizerklooster in Nieuwpoort, uit de periode mei 1775 tot en met maart 1776, worden in de Mémoires van de Academie gepubliceerd.

Onlangs werd het manuscript van zijn dagelijkse weerkundige waarnemingen, van de periode oktober 1775 - april 1777, herontdekt. Het bevat gedetailleerde gegevens over de extreem koude winter van 1776.

 

Hierboven ziet u de meteorologische waarnemingen die gedaan werden te Nieuwpoort, door Théodore-Augustin Mann van het Engelse kartuizerklooster.
Links het titelblad met de vermelding “gelezen op de zitting van 2 april 1776” van de Academie te Brussel en rechts de dagelijkse meteorologische waarnemingen voor de maand april 1777.

 

1776

Eind januari 1776 is het erg koud en worden er bijzonder lage minimumtemperaturen gemeten:
- Brussel, 28 januari 1776 door Chevalier : -6° F [-21.1 °C], en door Baron de Poederlé : -16 ° tot -17 °R [-20 ° tot -21,25 °C]
- Leuven, 1 februari 1776 door de Marcy : -16 °R [-20 °C]
- Doornik, 28 januari 1776 : -17 °R [-21,25 °C]
- Namen : -14,5 °R [-18,1 °C]

 
“Gelée forte, qui ferma tellement la Meuse [à Namur], qu’on la traversa pendant plusieurs jours sur la glace.”
“Oostende, 31 January, 1776. Den aenhoudenden strengen Vorst heeft onze Haeve niet alleen onbruykbaer gemaekt voor de schipvaert; maer het Ys, op onze Rheede by een gerot zynde, belet zelfs aen alle de Schepen den Ingang, die meest gesloten is, te naderen. Twee onzer Vissers-Schuyten zitten in het midden van het Ys vast, zonder dat men hun kan ter hulpe komen; by middel van de Lonck-buyzen ziet men hun geduerig arbyden, om daer door te geraeken.”

1779

Hubert, Noël genoemd, Retz (vermoedelijk geboren in 1758 - 1810), arts te Arras in Frankrijk, wint in 1778 de prijsvraag over het klimaat van onze streek, gesteld door de Brusselse Academie. Op basis van de weinige gegevens die uit de omliggende landen voorhanden zijn besluit Retz:

 
“Il est donc déterminé que la température la plus ordinaire des saisons aux Pays-Bas, est variable, froide et humide.”

Noël (Hubert) Retz, arts te Arras in Frankrijk

1780-1806

De kapelaan van Roesbrugge aan de IJzer, Guillaume Van der Meulen (1737-1809), heeft interesse voor de geschiedenis van Vlaanderen, sterrenkunde en meteorologie. Eerst begint hij met niet-instrumentele meteorologische waarnemingen, nadien neemt hij het weer ook waar met instrumenten. Adolphe Quetelet, die later directeur van de Sterrenwacht zal worden, weet dat deze waarnemingen bestaan, maar schat ze niet erg hoog in, waardoor de manuscripten spoorloos blijven.

De extremen voor de periode 1780-1806 en de jaarlijkse atmosferische gesteldheid werden opgenomen in het handschrift van Schamp, waarover u verder meer verneemt. Het blijft echter een groot raadsel hoe de gegevens van Guillaume Van der Meulen in Schamps manuscript terechtkwamen!

 

Hierboven ziet u de tabel van de meteorologische waarnemingen voor de jaren 1780-1800 opgesteld door Guillaume Van der Meulen, uit het manuscript van Guillaume Schamp - Koninklijke Bibliotheek Albertina, Brussel -

1780-1781

De Palatijnse elector, of keurvorst van de Palts, Karl Theodor (1724-1799) sticht te Mannheim de “Societas meteorologica palatina”. Het doel van deze vereniging is om dagelijks overal ter wereld, op exact hetzelfde ogenblik, meteorologische waarnemingen uit te voeren met dezelfde instrumenten die door de organisatie zelf gebouwd werden.

De leiding van het project komt in handen van Johann Jacob Hemmer (1733-1790). De resultaten van de waarnemingen worden gepubliceerd in de twaalfdelige reeks van de “Ephemerides Societatis meteorologicae palatinae, Manheimi, 1783-1795”.

Op 19 februari 1781 stelt de Palatijnse Meteorologische Maatschappij voor om samen te werken met de Brusselse Academie. Deze laatste ontvangt de nodige instrumenten pas tijdens de zomer van 1782.

Het project stopt definitief in 1795 wanneer de Franse revolutionaire troepen Mannheim belegeren en het kasteel van de elector verwoesten.

 

De Palatijnse Elector of keurvorst, Karl Theodor, stichter van de "Societas meteorologica palatina"

Het declinatorium van de "Societas meteorologica palatina" uit de collectie van het Koninklijk Meteorologisch Instituut en dit sinds de stichting van het Instituut in 1913 (Een declinatorium is een instrument voor het meten van de richting van een magnetisch veld in verhouding tot astronomische of landmeetkundige coördinaten)

De waarnemingen van de Palatijnse Meteorologische Maatschappij worden in de loop van de jaren 1782 en 1783 uitgevoerd door Jean-Baptiste Chevalier en van 1784 tot en met 8 november 1792 door Theodore-Augustin Mann. Ondanks deze prachtige tijdreeks, blijven deze Brusselse waarnemingen met heel wat vragen omringd betreffende de waarnemer, de plaats van de waarnemingen en welke instrumenten precies gebruikt werden.

In 1819 stelt Heinrich Wilhelm Brandes (1777-1834), professor in de natuurkunde aan de universiteit van Breslau (Wrocław, Polen), in een kort bericht in de "Annalen der Physik" voor om dagelijkse weerkaarten te tekenen op basis van de gegevens van de Palatijnse Meteorologische Maatschappij van het jaar 1783.

 

1783

Égide Lucas Guillaume Schamp-de Romrée (1764-1846) start in 1783 te Gent met een langdurige reeks weerkundige waarnemingen. Een overzicht van zijn waarnemingen kennen we uit zijn manuscript dat bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek van België. Het manuscript bevat ook een temperatuurrangschikking van de winters en de zomers van de periode 1791-1830, wat nieuw is voor die tijd.

De dagelijkse waarnemingen staan per graad onder een gecodeerde vorm in Schamps notitieboekjes genoteerd. Jammer genoeg zijn niet al deze notitieboekjes bewaard gebleven. Het belang van Schamps weerkundige waarnemingen mag niet onderschat worden, omdat ze een zeer lange periode beslaan waar andere gegevens ontbreken.

 

Meteorologische waarnemingen van de maand april 1791 uit het dagboek van Guillaume Schamp. De meteorologische waarnemingen staan in gecodeerde vorm in de linker kantlijn van de rechterbladzijde, terwijl de linkerbladzijde het overzicht van de maand april 1791 weergeeft.

Op 8 juni 1783 barst in IJsland de vulkaan Lakagígar uit. De vulkaan blijft actief tot februari 1784 en het hele noordelijk halfrond wordt bedekt met een "droge mist".

De zomer van 1783 in West-Europa is erg warm en gaat gepaard met hevige onweders. De meteoroloog voor de landbouw Baron de Poederlé geeft hierover een gedetailleerde beschrijving. In de jaren die volgen op deze vulkaanuitbarsting sterft een vijfde van de bevolking als een gevolg ervan.

 

De kraterrij van de Lakagígar vulkaanuitbarsting in IJsland in 1783-1784

De broers Joseph en Jacques Montgolfier zijn de eersten die op 4 juni 1783 een onbemande heteluchtballon een vlucht laten maken te Annoncay. Op 19 september 1783 sturen ze een schaap, een haan en een eend mee met een luchtballon in Versailles. De eerste bemande ballonvlucht vond plaats op 21 november 1783, met aan boord fysicus Jean-Francois Pilâtre de Rozier en markies Francois-Laurent d’Arlandes. Bij eerdere vluchten bleef de ballon nog met touwen aan de grond bevestigd. De mens zet zijn eerste stappen in het luchtruim.

 

Een Montgolfier ballon stijgt op.

Op 19 januari 1784 in Lyon gaat prins Charles-Joseph de Ligne (1735-1814) als eerste Belg het luchtruim in met de ballon “La Fréselle”.

 

Prins Charles-Joseph de Ligne

Het opstijgen van de ballon "La Fréselle" op 19 januari 1784

Louis-Engelbert, Graaf van Arenberg (1750-1820), laat in 1783-1784  proeven uitvoeren op zijn kasteel te Heverlee, om te bepalen welk gas het beste is voor gebruik in een ballon. Het is de Limburger Jan Pieter Minckeleers (1748-1824), professor aan de universiteit van Leuven, die lichtgas voorstelt.

De Brusselse meteoroloog Theodore-Augustin Mann vindt de zogenaamde "Balloonomania" toch maar niets. Om die reden moet men tot op het einde van de 19de eeuw wachten vooraleer de Koninklijke Sterrenwacht van België ballonnen gaat gebruiken voor wetenschappelijke doeleinden in de aerologie.

 

1783-1784

De winter 1783-1784 is behoorlijk koud en er valt een dik pak sneeuw. In België en in heel West-Europa bevriezen de rivieren en kanalen van december 1783 tot en met februari 1784. Op 30 en op 31 december 1783 worden in België de volgende minimumtemperaturen opgetekend:

- Doornik -13 °R [-16,3 °C] door de Witry
- Brussel -13 °R [-16,3 °C] door Theodore-Augustin Mann
- Verviers -24,4 °C door G.-L. Godart
- Luik -22,5 °C door de Feller (?)
- Theux -23,8 °C door de Limbourg
- Brussel -17,5 °C door de Poederlé
- Antwerpen -13,8 °

De plotselinge dooi eind februari 1784 doet grote gebieden en heel wat steden overstromen. Benjamin Franklin (1706-1790), de Amerikaanse ambassadeur te Parijs en de Franse natuurwetenschapper J.A. Mourgue de Montredon wijten deze koude aan de uitbarsting van de vulkaan Lakagígar in IJsland.

 

1788

Op 13 juli 1788 trekt een verschrikkelijke windstorm over Touraine, de streek van Orléans, l’Île-de-France, Picardië, Artesië, Vlaanderen, Zeeland en Holland om in de Noordzee te eindigen. Deze storm heeft het karakter van een wervelwind en is vergezeld van hagel die de oogst op de velden vernielt.

In België woedt de storm voornamelijk in de streken van Doornik, Kortrijk, Oudenaarde en Brugge, maar ook in Brussel, Mechelen en Antwerpen voelt men deze windstorm. Volgens sommige klimaatgeschiedkundigen zouden de broodonlusten van 1788 en 1789 in Frankrijk, later gevolgd door de Franse Revolutie, gedeeltelijk aan deze klimaatgebeurtenis toegeschreven kunnen worden.

 

De winter van 1788 is erg koud. Op 30 of 31 december 1788 worden in België volgende minimumtemperaturen gemeten:
- Doornik, door de Witry: -17.0 °R [-21,25 °C]
- Bouillon, door een anonieme waarnemer: -18.2 °R [-22,75 °C]
- Brussel, -16.0 °R [-20,0 °C]

 

 

 
"Van 16 Decembris 1788 tot by den avond liep men over den vastgeronnen Vloed [Schelde]: naer dat den Vorst begonst hadde van Sinte Catharina-dag [25 november], welken duerde (2 à 3 dagen uytgenomen) tot Koningen [6 januari] toe: alswanneer men, bezonder den VII. van Januarius en de volgende dagen 1789, voor de Kraen zag men alle soorten van Menschen over-en-weder gaen: met verscheyde zeldzaemheden, aldaer voorgevallen."
“’t sCheLD VerVrIest bY De WerVe Van ConIngen-aVonD

Het chronogram hierboven werd gemaakt door de Antwerpse "veelschrijver"-dichter Joannes Antonius Franciscus Pauwels (1747-1823) wijst op het jaar 1789.

 

Chronologie of jaarlijst dat de Schelde bij Antwerpen vastvroor door de "veelschrijver"-dichter Joannes Antonius Franciscus Pauwels.

1789: einde van het Ancien Régime

De Brusselse Academie stopt haar activiteiten ten gevolge van de woelige politieke toestanden in onze gewesten: de Franse Revolutie in 1789, de Brabantse Omwenteling in 1789 en 1790, de Eerste Oostenrijkse Restauratie in 1790, de Eerste Franse Inval in 1792, de Tweede Oostenrijkse Restauratie in 1793 en de Tweede Franse Inval in 1794.

Pas in 1816, onder Koning Willem I der Nederlanden, worden de bezigheden hernomen.

 

Enkele referenties

Buisman, J. (1995-2000) "Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen". Onder redactie van A.F.V. van Engelen, Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. Deel I, tot 1300; Deel II, 1300-1450; Deel III, 1450-1575; Deel IV, 1575-1675; Deel V, 1675-1750. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker.

Demarée, G.R., Lachaert, P.-J., Verhoeve, T. & Thoen, E. (2002) "The long-term daily Central Belgium Temperature (CBT) series (1767-1998) and early instrumental meteorological Observations in Belgium". Climatic Change, 53, p. 269-293.

Dufour, L. (1947) "L’Œuvre météorologique de T.-A. Mann (1735-1809)". In: Notes pour servir à l’Histoire de la Météorologie en Belgique. Institut Royal Météorologique de Belgique, Miscellanées, Fasc. XXIX, p. 1-17.

Dufour, L. (1950) "Esquisse d’une Histoire de la Météorologie en Belgique". Institut Royal Météorologique de Belgique, Miscellanées, Fasc. XL, 55 p.

Mailly, Éd. (1883) "Histoire de l’Académie impériale et royale des Sciences et Belles Lettres-Lettres de Bruxelles". Mémoires couronnés et autres mémoires publiés par l’Académie royale, coll. in-8°, t. XXIV et XXV.

Quetelet, A. (1834) "Aperçu historique des observations de météorologie faites en Belgique jusqu’à ce jour". Annales de l’Observatoire de Bruxelles, I, première partie, p. 1-72; Nouveaux Mémoires de l’Académie Royale des Sciences et Belles-Lettres de Bruxelles’, VIII, Hayez, Bruxelles, 72 p.