Algemeenheden over het Belgisch klimaat

Ons land ligt op de gemiddelde breedtegraad van het noordelijk halfrond aan de westelijke rand van het Europees continent. De seizoensgebonden cyclus van de zonneschijn en de atmosferische dynamiek eigen aan die gemiddelde breedtegraad, alsook de nabijheid van de Atlantische Oceaan, bepalen de grote lijnen van het klimaat over onze streken

Op deze gemiddelde breedtegraad ontmoeten de koude luchtmassa's van noordelijke oorsprong de warme luchtmassa's van subtropische origine. Het scheidingsoppervlak tussen deze twee luchtmassa’s wordt het 'poolfront' genoemd. De wisselende positie van dit front doet ons weer veranderen. Als het naar het noorden opschuift, zal het « mooi weer » zich boven ons land kunnen installeren dank zij de aanvoer van warme luchtmassa's vanuit het zuiden, doch als het front ten zuiden van onze streken ligt zal het « kouder » worden.

Het poolfront ligt in de winter meestal ten zuiden van onze streken en in de zomer ten noorden ervan, maar andere situaties kunnen zich eveneens frequent voordoen. Zo kan het poolfront nagenoeg verdwijnen en plaats maken voor een hogedrukgebied (1976) ; zich in de zomer ten zuiden (1980) of in de winter ten noorden van ons bevinden (1989) en aldus aanleiding geven tot weertypes die niet « normaal » zijn voor de tijd van het jaar. Het zijn echter niet deze situaties op zich, maar vooral de abnormaal lange duur van deze buitengewone situaties, die aan de oorsprong liggen van uitzonderlijke weersomstandigheden.

De depressies verbonden aan het poolfront zullen ons vaker in westelijke luchtstromingen brengen. In deze omstandigheden komen de luchtmassa's rechtstreeks - of bijna toch - van over de oceaan ,waar ze vochtigheid opnemen en aldus voor een regenachtig klimaat zorgen. (voor de oostkust van de Verenigde Staten is het omgekeerd, omdat de westelijke stromingen daar continentaal zijn)

Ons gematigde klimaat wordt normaal gekenmerkt door frisse en vochtige zomers en relatief zachte en regenachtige winters. Toch kunnen er opmerkelijke uitzonderingen voorkomen: een buitengewoon hete zomer zoals in 1947, toen de temperatuur in Ukkel opliep tot 38°C onder thermometerhut, of die van 1976, toen de maxima 15 dagen lang boven de 30°C lagen, waardoor het meer op een tropische zomer ging lijken. Strenge winters zoals in 1963, toen zelfs de zee bevroor, kunnen de indruk wekken dat België deel uitmaakt van het poolgebied. Sinds het begin van de metingen werden er extreme temperaturen van +40°C in de Kempen en van –30°C in de vallei van de Lesse opgetekend.

Het neerslagregime kan eveneens opmerkelijke toestanden vertonen. Zo waren 1921 en dichter bij ons 1976 jaren met een extreme droogte. Anderzijds kunnen regenzones in combinatie met westelijke stromingen actiever zijn dan normaal. Zo hebben de zware regens van juni/juli 1980 in Brussel voor een totale neerslag van 242 mm in 30 dagen gezorgd, terwijl dit gemiddeld slechts 74 mm is, en in de Ardense valleien aanzienlijke overstromingen veroorzaakt.

Samengevat, het klimaat in onze streken is uiteindelijk het resultaat van de opeenvolging en de afwisseling, maar ook van het min of meer lang aanhouden van verschillende atmosferische toestanden (veroorzaakt door het soort luchtdrukgebied en het type luchtmassa) die ons weer bepalen van dag tot dag.

 

Terug naar overzicht