Regen

Regen is een neerslagvorm. In onze gematigde streken begint de meeste neerslag hoog in de wolken als sneeuw, zelfs in de zomer. Als de sneeuw door luchtlagen met positieve temperaturen valt, begint hij te smelten zodat het uiteindelijk regent aan de grond.

Met een echte regenzone bedoelen we dat het langdurig en op uitgebreide schaal gaat regenen met geen al te grote verschillen in intensiteit. Dit kan uren of zelfs een hele dag duren. Bij buien daarentegen komen er soms droge perioden voor. De neerslag begint en stopt plots en de intensiteit kent grote ruimtelijke verschillen.

Het is hoofdzakelijk in lagedrukgebieden en hun bijbehorende fronten dat het regent op grote schaal, vooral langs warmtefronten en occlusiefronten. Langs koufronten kan het ook urenlang regenen, maar soms heeft de neerslag er een buiig karakter en is zelfs onweer mogelijk. Nabij frontvlakken wordt de lucht gedwongen te stijgen. Dit gebeurt meestal langzaam en geleidelijk ontstaan er gelaagde wolken die neerslag kunnen produceren. Het wolkengeslacht bij uitstek dat regen (of sneeuw) produceert is nimbostratus.

De diameter van een regendruppel schommelt doorgaans tussen 0,5 en 4 mm. Uit onweerswolken vallen mogelijk druppels tot 10 mm. Regendruppels van buien zijn meestal groter omdat de neerslagelementen door de verticale bewegingen sterker aangroeien.

De hoeveelheid gevallen regenwater wordt gemeten in een pluviometer of regenmeter. De eenheden worden uitgedrukt in millimeter of liter/m². In de meeste streken van ons land valt er maandelijks gemiddeld 70 mm (of l/m²) neerslag. Dit betekent dat indien het water niet zou kunnen wegstromen, in de bodem dringen of verdampen er overal 70 mm water zou staan. Dit komt overeen met 70 liter water per m².