Hoe ontstaat de wind?

Wind is niks anders dan een verplaatsing of stroming van lucht. Deze luchtstroming ontstaat door luchtdrukverschillen en is altijd gericht van hoge luchtdruk naar lage luchtdruk. De wind waait dus altijd van een hogedrukgebied weg, in alle richtingen. Een lagedrukgebied zuigt de wind als het ware vanuit alle richtingen aan.

Door de rotatie van de Aarde ontstaat het corioliseffect. Door dit effect, genoemd naar de Franse ingenieur Gustave-Gaspard Coriolis, stroomt de lucht niet in een rechte lijn van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied, maar ontstaat er een afbuiging, die op het noordelijk halfrond van onze planeet naar rechts is gericht en op het zuidelijk halfrond naar links.

 

Daardoor stroomt de lucht rond een hogedrukgebied in wijzerzin en rond een lagedrukgebied in tegenwijzerzin.
Daarnaast wordt de windrichting ook beïnvloed door wrijving met het aardoppervlak. De wrijving is de oorzaak waardoor de wind een hoek maakt met de isobaren.

De luchtcirculatie van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied krijgt uiteindelijk de vorm van een spiraal.

 

De Nederlandse meteoroloog Christophorus Buys Ballot ontdekte dit reeds in de 19de eeuw en publiceerde dit als volgt in zijn bekende Wet van Buys Ballot: "staande met de rug naar de wind, bevindt het lagedrukgebied zich op het noordelijk halfrond links van de waarnemer en het hogedrukgebied rechts van hem"

Op grote hoogte is de wrijving verwaarloosbaar en waait de wind quasi evenwijdig aan de isobaren. Dit noemt met de geostrofische wind.

De snelheid van de wind wordt bepaald door de heersende drukgradiënt. Zijn de drukverschillen groot op korte afstand (dan liggen de isobaren dicht bij elkaar), dan waait de wind met hoge snelheden. Zijn er maar kleine luchtdrukverschillen over een grote afstand (dan liggen de isobaren ver uit elkaar), dan is er weinig wind.

Met toenemende hoogte neemt de wrijving af. Daardoor neemt de windsnelheid doorgaans toe met de hoogte. Boven een wateroppervlak is er ook minder wrijving dan in een bebouwd landschap of een regio met veel reliëf. Daardoor is er aan zee meestal meer wind dan in het binnenland.